logo

Achtergrond informatie.


Produktfotografie in Nederland.

De eerste produktfotografen waren meestal portretfotografen, die opdrachten kregen voor het maken van produktfoto's voor klanten die ze kenden uit hun portretpraktijk.

Marius Meyboom was zo’n fotograaf in Amsterdam. Hij had al eens portretten gemaakt van een directeur van een porseleinfabriek. De vraag om foto’s van serviezen te maken was toen een kleine stap.

Voor het ontstaan van de produktfotografie was het noodzakelijk dat de foto's gereproduceerd konden worden in de media. Om foto's in drukwerk te gebruiken is een goede en betaalbare litho- en druktechniek noodzakelijk. Deze technieken kwamen pas in de jaren tussen de twee wereldoorlogen ter beschikking. Tot een echte bloei kwam het in de vijftiger jaren. Toen kwam de kleurendruk goed op gang.

De praktijk van de eerste produktfotografie werd gekenmerkt door het ontbreken van goede verlichtings-technieken. Het studiolicht dat werd gebruikt was vrij primitief. De eerste studiolampen waren meestal puntlichtlampen uit de filmindustrie.
De kleurtemperatuur speelde toen geen rol; alles ging nog zwart-wit. Moderne vlakverlichting zoals we nu kennen was totaal onbekend.
-Om mooie lange reflecties in een produkt/ onderwerp te krijgen probeerde men van alles; bijvoorbeeld een lamp monteren op een wagentje en dan tijdens de opname (lange sluitertijd) de lamp over de rails verschuiven.-


Strobe Console met lichtbak

De eerste goede vlakverlichting werd ontwikkeld door fotografen in de vijftiger jaren van de vorige eeuw. In Engeland ontstond op die manier het merk "Strobe". Dit pioniersmerk leverde de eerste echt goed doordachte vlakverlichtingen.



In deze advertentie van Paco Rabanne uit de 80er jaren van de vorige eeuw figureert een fotostudio met paraplu's en met de eerste vlakverlichting van "Strobe", links van het midden.


De noodzaak om tot nieuwe verlichtingstechnieken te komen had verschillende redenen. In eerste instantie ging het er vooral om de harde schaduw en puntlichtreflecties te vermijden; meestal vanwege esthetische redenen. Men probeerde zoveel mogelijk het daglicht na te maken.

De opkomst van de kleurendruk vroeg om kleuren-fotografie; en al snel bleek dat kleurendia's de beste lithografiekwaliteit leverden. Dat stelde hoge eisen aan de fotograaf. Een dia kon maar een beperkte contrastomvang van het onderwerp aan; meestal niet groter dan vier stops.
Verdere ontwikkeling van de vlakverlichting maakte contrastbeheersing in de studio bereikbaar. In Engeland werd in de zestiger jaren van de vorige eeuw hiervoor veel werk verricht.

De eerste produktfotografen waren zich al snel bewust van het belang van een goede verlichting. De elektrische lampen van toen waren niet gemaakt om “mooi” licht te geven, als ze het al deden. Veelal zocht men zʼn toevlucht tot het gebruik van daglicht in de studio, net zoals veel portretfotografen in die tijd.

De toenmalige lampen gaven hard puntlicht, wat harde schaduwen opleverde die een goede produktopname in de weg stonden. Een harde schaduw leidt af van het onderwerp en vraagt om veel ruimte om het produkt heen. En het gaat er juist om, het produkt zo groot en voordelig mogelijk weer te geven.

Extra paginaruimte die wordt gebruikt voor de lange schaduw kost alleen maar geld. Vandaar dat het vrijstaand en schaduwloos fotograferen populair werd in de produktfotografie. De uiteindelijke oplossing kwam met het gebruik van diffusors cq. vlakverlichting. Dat lijkt nu heel logisch, maar halverwege de vorige eeuw was dat niet vanzelfsprekend.

Door tussen lamp en onderwerp een diffusor te plaatsen, verkrijg je zachtere schaduwen; zachter = geleidelijke overgang van donker naar licht. De harde schaduw wordt als het ware “gedoezeld”.

Tot in de tachtiger jaren was de vlakverlichting bij veel Nederlandse fotografen nog relatief onbekend. Men behielp zich veelal met parapluutjes.

Nederlandse produktfotografen.

De interesse van Marius Meijboom (1911-1998) in de fotografie werd aangewakkerd door portretfotograaf Godfried de Groot. Meijboom beëindigde zijn studie farmacie en ging een opleiding tot fotograaf volgen aan de Reimann Schule in Berlijn.
In 1937 opende hij zijn eigen fotostudio in Amsterdam. Hij begon met portretfotografie, maar al snel bleken reclame- en modefotografie meer opdrachten op te leveren. Tijdens de Duitse bezetting maakte hij deel uit van de later zo genoemde groep ‘De ondergedoken camera’. De illegale foto’s van deze groep werden direct na de bevrijding in Meijbooms donkere kamer (doka) afgedrukt.
In 1948 maakte hij het kroningsportret van Juliana. Een foto die gedurende haar regeerperiode in alle overheidsgebouwen hing. Twaalf jaar lang maakte hij talloze foto’s van de Koninklijke familie, totdat hij hiermee moest stoppen vanwege een hernia. Naast zijn opdrachten voor het koningshuis specialiseerde Meijboom zich in de reclame-, mode- en culinaire fotografie en verwierf daarmee grote bekendheid. Diverse reclamebureaus kon hij tot zijn opdrachtgevers rekenen.
In 1975 stopte Meijboom als professioneel fotograaf, maar bleef nog dertien jaar betrokken bij het onderwijs aan de school voor Fototechniek en Fotonica in Den Haag. Hij verhuisde toen van Amsterdam naar Apeldoorn. Van daaruit was hij als adviseur betrokken bij het opzetten van de fotostudio voor postorderbedrijf Wehkamp in Zwolle.

Cok de Graaff (1904-1988) begon zijn carrière als persfotograaf tijdens de Olympische Spelen van 1928 bij Polygoon, net als Aart Klein. Hij voelde zich echter veel meer aangetrokken tot de reclamefotografie en besloot daarin verder te gaan. In 1930 trad hij als fotograaf in dienst van reclamebureau Sell More met een studio op het Amsterdamse Prinseneiland. Hier leerde hij zichzelf fotograferen met lampen. Omdat er in Nederland vrijwel geen kennis was over studiolicht, begon hij te experimenteren met allerlei opstellingen van lampen en reflectoren. Hij maakte creatief gebruik van de harde, soms projectie-achtige, schaduwen die de studiolampen opleverden. Twee jaar later ging hij aan de Willemsparkweg als zelfstandig fotograaf verder en nam Cas Oorthuys de Sellmore-studio van hem over. Artistiek en politiek zaten beide fotografen op één lijn, maar ze verloren het dagelijks contact toen Cok de Graaff in 1936 naar Blaricum verhuisde.

Cok de Graaff was één van de eerste professionele reclamefotografen in Nederland. Zijn vroege reclamefotografie werd sterk beïnvloed door de Nieuwe Fotografie. In de jaren zestig nam De Graaff om gezondheidsredenen minder foto-opdrachten aan en ging zich richten op landschapsfotografie. Op latere leeftijd verhuisde hij naar Laren en daar beëindigde hij in 1970 zijn loopbaan als professioneel fotograaf.

Steef Zoetmulder (1911-2004) was een Rotterdamse reclamefotograaf. Hij was al voor de oorlog actief in het vak.
Zijn fotografie is sterk beïnvloed door het surrealisme. De visuele vernieuwing van het surrealisme is later van grote invloed geweest op de beeldtaal in de reclame. In de vooroorlogse jaren exposeerde Zoetmulder in Londen, Brussel, Parijs, Johannesburg en New York. Hij was aan de ene kant een vakman die uitstekend voldeed aan de eisen die opdracht-gevers hem stelden. Aan de andere kant bleef hij bezig met het ontwikkelen van een eigen beeldtaal. Vooral het spelen met licht fascineerde hem. Een eigenschap die hem als reclame-fotograaf goed van pas kwam.

Hij werkte voor diverse klanten uit de Rotterdamse regio; zijn studio was op de begane grond van een groot herenhuis in Rotterdam. De kamer en suite was witgeschilderd, zodat hij de muren en wanden als bounce-scherm kon gebruiken bij modelopnames. Veel modefotografen gebruiken bij voorkeur witte studio’s.
Donkere studio’s zijn gebruikelijk in de film-industrie en bij reclamefotografen.


De produktfotografie (in Nederland) ontwikkelde zich van de ene kant vanuit de portretfotografie (bijvoorbeeld Marius Meijboom) en van de andere kant vanuit de “Nieuwe fotografie”. Deze beweging vond zijn oorsprong in de academische gevormde grafische ontwerp-cultuur van de 20er en 30er jaren en had sterke socialistische invloeden. Bekende namen waren Piet Zwart en Paul Schuitema.
Paul Schuitema schreef in 1933: “De oefening van de proletarische foto-correspondent moet in de eerste plaats het hanteeren van zijn toestel zijn, in de tweede plaats de bestudeering van de suggestie. Geen romantiek, geen kunst, maar zakelijke felle-suggestieve propaganda: tactisch ingesteld op klassestrijd, technisch ingesteld op het vak”.

Hij schreef ook: “Individualiteit leidt in de reclame de aandacht van het argument af. De fototechniek vervangt het handwerkelijk voortbrengen der illustratie; ze is onpersoonlijk, vraagt niet de aandacht van den maker, maar voor het argument wat ze illustreert. Ze sluit aan bij de snelle en mechanische wijze waarop de verdere vervaardiging is ingesteld, en is niet afhankelijk van de hand van de tekenaar.”

Men veronderstelde toen nog dat de fotografie vrij zou zijn van (persoonlijke) interpretatie en artistieke suggestie. Dus “realistisch” en niet “surrealistisch”.

De Nieuwe Fotografie was een stroming in de fotografie. Het was, na de Eerste Wereldoorlog, een reactie op het Picturalisme.
Het was de fotografische vertaling van de zg. Nieuwe Zakelijkheid in de kunst en ontwerpwereld. De Nieuwe Fotografie zag de fototechniek als een technische registratie mogelijkheid van de werkelijkheid; met andere woorden: het vastleggen van de „waarheid” zonder franje. Deze opvatting was vooral populair in links-georiënteerde kringen, waar fotografie als propagandamiddel werd gezien. Dit kwam o.a. tot uiting bij de z.g. Arbeidersfotografen. Deze collectieven van amateurs en vakfotografen documenteerden het leven van de arbeider in het vooroorlogse Nederland. Na de oorlog gebruikte men dezelfde technieken in de reclamefotografie.

Mensen zoals Paul Schuitema, Joris Ivens en Piet Zwart gaven dit soort groepen les in de fototechniek.
Tegenwoordig valt de "nieuwe fotografie" vooral op door het vaak dramatische licht, de extreme standpunten en de aparte uitsnedes. Verre van neutraal of realistisch.


N.B. Deze tekst wordt nog regelmatig bijgewerkt. Opmerkingen en aanmerkingen zijn welkom op cdviehoff(et)xs4all.nl.


Bronnen:

  • - Wikipedia
  • - Fotografie in Nederland ISBN 90 12 02245 2
  • - Fotografie in Nederland ISBN 90 12 02357 2
  • - Interviews met Cok de Graaff, Marius Meijboom en Steef Zoetmulder 1982.

crkbo logo